Direct naar  hoofdmenu / submenu / zoekveld
Home / Actualiteitenoverzicht / 2015 / Beleidswijzigingen naar aanleiding van onderzoek Ranov-migranten

Beleidswijzigingen naar aanleiding van onderzoek Ranov-migranten

De achtergrond van naturalisatiemotieven en afgewezen verzoeken

Naar aanleiding van twee onderzoeken, die door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) en de Immigratie- Naturalisatiedienst (IND) zijn uitgevoerd, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in een Kamerbrief van 26 oktober enkele beleidswijzigingen aangekondigd die betrekking hebben op de Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet (Ranov).

 

De Ranov betreft een generaal pardon voor personen, die vóór 1 april 2001 een asiel-aanvraag hadden ingediend en die in 2007 nog in Nederland verbleven zonder dat hun asielaanvraag op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ingewilligd was. Deze personen waren afkomstig uit diverse herkomstlanden, waaronder Afghanistan, voormalig Joegoslavië, Irak, Eritrea, China en Sudan. Vanaf 15 juni 2007 werd aan vreemdelingen die aan de voorwaarden voldeden van de hierboven genoemde regeling, een verblijfsvergunning verstrekt.

 

Vanaf juni 2012 komen deze personen in principe in aanmerking voor het Nederlanderschap. In 2014 blijkt  dat van deze groep personen een derde een naturalisatieverzoek heeft ingediend.  De PvdA vond dit opvallend, en diende een motie in. Zij vroeg de regering om hindernissen die generaal pardonners kennelijk ondervinden om te naturaliseren, weg te nemen.

 

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft als gevolg van deze motie en het debat in de Tweede Kamer daarover,  twee onderzoeken laten uitvoeren. Het eerste onderzoek, uitgevoerd door de IND, richt zich op de vraag op welke gronden  de naturalisatieverzoeken van deze specifieke groep personen zijn afgewezen. Uit dit eerste onderzoek blijkt dat de meeste verzoeken (61%) zijn afgewezen wegens het niet kunnen vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de aanvrager. Daarna volgen de afwijzing van een medeverlening van een minderjarige (17%), afwijzing op grond van openbare orde aspecten (16%) en het niet lang genoeg rechtmatig in Nederland hebben verbleven (11%).

 

Verder blijkt uit dit dossieronderzoek  dat door de aanvrager wordt aangegeven dat de ambassade niet wil meewerken aan de afgifte van identiteitspapieren, doordat de inhoud van de opgevraagde papieren niet voldoende was om de identiteit van de aanvrager vast te stellen, of doordat de overlegde papieren vals bleken te zijn.

 

Het tweede onderzoek, uitgevoerd door het WODC, focust zich op de motieven van Ranov’ers om geen naturalisatieverzoek in te dienen. Op basis van beschikbare achtergrondgegevens van het IND-registratiesysteem Indigo, een enquête onder 419 personen die onder de Ranov-regeling vallen en gestructureerde interviews met deze doelgroep en relevante maatschappelijke organisaties, heeft het WODC een aantal conclusies geformuleerd.

 

De verklaringen voor het indienden van een naturalisatieverzoek worden door het WODC gezocht in demografische en persoonlijke kenmerken. Uit het onderzoek blijkt dat hoger opgeleide, jonge migranten vaker naturaliseren dan lager opgeleiden en ouderen. Daarnaast blijkt dat het land van herkomst een invloedrijke factor is: zo zijn Chinezen en Azeri minder vaak genaturaliseerd dan personen uit Afghanistan of Iran.

 

Onder niet-genaturaliseerde personen bevinden zich een groot aantal migranten die wel willen naturaliseren, maar dit om verschillenden redenen niet kunnen. Respondenten gaven aan niet de benodigde kennis over de naturalisatieprocedure te bezitten, of niet te beschikken over de noodzakelijke identiteitspapieren uit het land van herkomst. Dat men niet beschikt over identiteitspapieren komt ook naar voren in het onderzoeksrapport van de IND. Ondanks deze belemmeringen onderstrepen Ranov-migranten de meerwaarde van het gemakkelijker kunnen reizen en van een betere positie op de arbeidsmarkt. Daarnaast heeft het Nederlanderschap ook een symbolische en emotionele waarde voor deze migranten: zij voelen zich door naturalisatie meer verbonden met Nederland.

 

Op 26 oktober heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het WODC-onderzoeksrapport formeel aangeboden aan de Tweede Kamer. De Staatssecretaris maakt naar aanleiding van dit onderzoek in de bijgaande Kamerbrief twee beleidsaanpassingen bekend. Op dit moment kunnen minderjarigen die in Nederland geboren zijn, niet naturaliseren als de ouders van de minderjarige géén paspoort van het kind kunnen overleggen dat afkomstig is uit het land van herkomst van de ouders. De Staatssecretaris verklaart deze voorwaarde te laten vervallen, zodat minderjarige kinderen van statushouders op basis van hun Nederlandse geboorteakte kunnen naturaliseren, zij moeten dan wel samen met (een van) hun ouders naturaliseren. Ten tweede is het voor etnische Armeniërs afkomstig uit Azerbeidzjan moeilijk om te naturaliseren, omdat het voor hen lastig is om identificerende papieren te verkrijgen in Azerbeidzjan. Hierdoor kunnen zij geen paspoort en/of geboorteakte overleggen aan de Nederlandse autoriteiten, met als gevolg dat hun aanvraag voor naturalisatie meestal wordt afgewezen. De Staatssecretaris maakt nu bekend om bij  etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan voortaan niet meer een Azerbaidjaans paspoort te eisen, noch een geboorteakte uit Azerbeidzjan. Deze wijzigingen zullen op 1 januari 2016 officieel in werking treden.

 

 

Het volledige rapport van het WODC kunt u hier vinden, en het onderzoek van de IND kunt u hier vinden.

 


Uitgelicht


Zoeken