Veel overeenkomsten in beleid gezinshereniging EU-lidstaten

Bij ongeveer eenderde van de migratie naar lidstaten van de Europese Unie (EU) in 2015-2016 ging het om gezinsmigratie. In 2015 zijn in de EU ruim 440.000 eerste verblijfsvergunningen voor gezinsmigratie afgegeven. Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk, het Verenigde Koninkrijk en Nederland gaven de meeste vergunningen af. De eisen voor gezinshereniging voor migranten van buiten de EU verschillen per lidstaat.

De Gezinsherenigingsrichtlijn van de EU stelt de wettelijke kaders vast voor gezinshereniging in de lidstaten. De richtlijn biedt de lidstaten wel ruimte om beleid zelf in te vullen:

  • in veel landen hebben ook ‘subsidiair beschermden’ recht op gezinshereniging, terwijl deze niet in de richtlijn zijn opgenomen
  • veel landen gaan voor het vaststellen van wie gezinsleden zijn verder  dan de minimumnormen uit de richtlijn
  • buiten het kerngezin (echtgenoten, minderjarige kinderen) komen in veel landen ook andere gezinsleden in aanmerking, zoals meerderjarige kinderen en ouders


De voorwaarden voor gezinshereniging uit de richtlijn (inkomen, huisvesting, ziektekostenverzekering) worden door de meeste lidstaten toegepast. In de meeste lidstaten is de inkomenseis gekoppeld aan de maandelijkse minimumloon of het bestaansminimum.

Verschillen gezinshereniging lidstaten

Op een aantal punten zijn duidelijke verschillen zichtbaar tussen de lidstaten. De lengte van de aanvraagprocedure varieert bijvoorbeeld sterk, tussen een maand en een jaar. Sommige lidstaten stellen ook eisen aan de inburgering van gezinsleden, bijvoorbeeld in de vorm van een verplicht inburgeringsexamen, terwijl andere lidstaten dit niet doen.